Gebed voor Jennifer

0
346
Gebed voor Jennifer
Gebed voor Jennifer

Beste broeders en zusters,

Ik wil jullie vragen voor mijn dochter

Jennifer te bidden voor genezing

haar leverwaarde is hoog en we weten niet hoe dat komt. Maar wij vertrouwen in God dat Hij verhoord ons gebeden in Jezus naam. Amen

Bij deze wil ik jullie, alvast bedanken.

God zegen jullie in al je gebeden.

 

Lydia

 

Jezus Sirach 38

1 EER de geneesheer tot uw behoeften, met de eer die hem toekomt; want ook hem heeft de Here geschapen.
2 Want de genezing is van de Allerhoogste, en door de koning wordt de geneesheer geëerd.
3 De wetenschap van de geneesheer verhoogt zijn hoofd, en bij de groten is hij in bewondering.
4 De Here heeft de medicijnen uit de aarde geschapen, en een voorzichtig man verontwaardigt ze niet.
5 Is het water niet zoet geworden van een hout, opdat zijn kracht door de mens zou gekend worden?
6 Hij heeft de mensen wetenschap gegeven, om in zijn wonderen verheerlijkt te worden.
7 Door deze heelt hij de mens en neemt zijn krankheid weg.
8 De apotheker mengt ze ondereen, en zijn werken hebben geen einde, en van hem komt gezondheid op de aardbodem.
9 Mijn kind, in uw krankheid verzuim het niet, maar bid de Here, en hij zal u genezen.
10 Sta af van misdaden, en houd de hand recht, en reinig uw hart van alle zonde.
11 Geef de Here een welriekende reuk, en een gedachtenis van meelbloem, en breng hem een vette offerande, als die niet eerst begint, en geef de geneesheer plaats.
12 Want de Here heeft hem geschapen, en laat hem niet van u, want gij behoeft hem.
13 Daar is mischien een tijd, dat er in hun handen een goede reuk is.
14 Want ook zij zelf bidden de Here, dat hij hun geve, rust en genezing om te mogen leven.
15 Wie tegen degene zondigt, die hem gemaakt heeft, die zal in de handen van de geneesheer vallen.
16 Mijn kind over een dode laat tranen vallen, en begin te wenen als die zware dingen geleden hebt; doch omwind zijn lichaam naar behoren, en veracht zijn begrafenis niet.
17 Ween bitter, en wees vurig in het geklag;
18 En, maak de rouw naar zijn waardigheid, een dag of twee, om der lastering wil, en troost u vanwege de droefenis.
19 Want van droefheid komt de dood, en droefheid des harten kromt de sterken.
20 Als er kwaad wordt ingevoerd, blijft ook de droefheid, en het leven van een arme is een vervloeking des harten.
21 Begeef uw hart niet tot droefheid, zet ze van u, gedachtig zijnde aan uw einde;
22 Vergeet dat niet, want vandaar is geen wederkomst, en hem zult gij geen voordeel doen, en uzelf zult gij kwellen.
23 Gedenk aan mijn oordeel, want zo zal ook het uwe zijn; mij gisteren en u heden.
24 Als de dode rust, zo laat ook zijn gedachtenis rusten, en troost u over hem, wanneer zijn geest uitgegaan is.
25 De wijsheid van een schriftgeleerde wordt verkregen door de goede gelegenheid van de ledige tijd, en wie verzuimachtig is in zijn handeling, die zal niet wijs worden.
26 Wat zou hij wijs worden, die de ploeg houdt, en roem draagt in de prikkel, die de ossen drijft, en opgevoed wordt in de werken derzelve, en die van jonge stieren weet te spreken?
27 Deze zal zijn hart begeven om voren te maken, en zal waken om de koeien voeder te geven.
28 Zo is het gelegen met ieder schrijnwerker en timmerman, die de nacht gelijk de dag met zijn werk doorbrengt.
29 Zo ook met hem die de zegelen uitsteekt, en die steeds daarover blijft om verscheiden werk te maken.
30 Zulk een begeeft zijn hart om de schilderij na te maken, en waakt om het werk te voleinden.
31 Zo ook een smid, die nabij het aanbeeld zit, en slaat het ijzerwerk gade; de damp van het vuur versmelt zijn vlees, en hij heeft met de hitte des ovens te strijden.
32 De klank van de hamer en het aanbeeld vernieuwt zijn oor, en zijn ogen zijn tegenover de gelijkenis van het vat.
33 Deze begeeft zijn hart om zijn werken te voleinden, en waakt om ze te versieren, wanneer zij voleindigd zijn.
34 Desgelijks een pottenbakker zit op zijn werk, en drijft met zijn voeten het wiel om; welke altijd bezorgd is over zijn werk, en al zijn arbeid heeft zijn getal.
35 Met zijn arm geeft hij het leem een gestalte, en voor zijn voeten buigt hij zijn hardheid.
36 Hij begeeft zijn hart daartoe wat hij wel verglaze, en waakt om de oven te reinigen.
37 Alle deze vertrouwen op hun handen, en elk is verstandig in zijn werk.
38 Zonder hen zal geen stad gebouwd worden, en men zal daar niet in wonen noch wandelen, doch tot de raad van het volk zullen zij niet gevorderd worden, en in de vergadering zullen zij niet overgaan.
39 Op de stoel der rechters zitten zij niet, en het verbond van het recht verstaan zij niet, en brengen geen onderwijzing en recht te voorschijn.
40 Wijze spreuken worden bij hen niet gevonden, maar zij bevestigen het bezit der wereld, en hun wens is dat zij in hun kunst werken mogen.
41 In het algemeen, niemand wordt wijs behalve degene die zijn ziel daartoe begeeft, en die zijn betrachting heeft in de wet des Allerhoogsten.

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here

four × five =