Genesis 38

0
174
Genesis 38
Genesis 38
1 En het   geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hijkeerde   in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.
2 En Juda   zag aldaar de dochter van een Kanaanietisch man, wiens naam was Sua;en hij   nam haar, en ging tot haar in.
3 En zij   werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.
4 Daarna   werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naamOnan.
5 En zij   voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hijwas te   Chezib, toen zij hem baarde.
6 Juda nu   nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.
7 Maar Er,   de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des HEEREN ogen; daaromdoodde hem de   HEERE.
8 Toen zeide   Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar inuws broeders   naam, en verwek uw broeder zaad.
9 Doch Onan,   wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het,als hij tot   zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, omzijn   broeder geen zaad te geven.
10 En het was   kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hemook.
11 Toen zeide   Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis,totdat   mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook   dezesterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar   vaders huis.
12 Als nu   vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw vanJuda; daarna   troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timnatoe, hij   en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.
13 En men gaf   Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naarTimna, om zijn   schapen te scheren.
14 Toen legde   zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zichmet een   sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen,die   op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en   zijhem niet ter vrouw was gegeven.
15 Als Juda   haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezichtbedekt   had.
16 En hij   week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; wanthij   wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij   geven,dat gij tot mij ingaat?
17 En hij   zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij   pandzult geven, totdat gij hem zendt.
18 Toen zeide   hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring enuw   snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar   in; enzij ontving bij hem.
19 En zij   maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij   trokaan de klederen van haar weduwschap.
20 En Juda   zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om hetpand   uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.
21 En hij   vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij   dezetwee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.
22 En hij   keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeidende   lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.
23 Toen zeide   Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachtingworden;   zie, ik heb deze bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.
24 En het   geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf,zeggende:   Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij iszwanger van   hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!
25 Als zij   voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij   denman, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch,   wiens dezezegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.
26 En Juda   kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haaraan   mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.
27 En het   geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in   haarbuik.
28 En het   geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw   namdezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze   komthet eerst uit.
29 Maar het   geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broederuit; en   zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemdezijn   naam Perez.
30 En daarna   kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; enmen noemde   zijn naam Zera.

 

SHARE
Previous articleGenesis 37
Next articleGenesis 39