Genesis 39

0
270
Genesis 39
Genesis 39
1 Jozef nu   werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, eenoverste   der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten,die   hem derwaarts afgevoerd hadden.
2 En de   HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was inhet huis   van zijn heer, den Egyptenaar.
3 Als nu   zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hijdeed, door   zijn hand voorspoedig maakte;
4 Zo vond Jozef   genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijnhuis; en al   wat hij had, gaf hij in zijn hand.
5 En het   geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijnewas,   gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil;ja, de   zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.
6 En hij   liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen   dingkennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van   gedaante,en schoon van aangezicht.
7 En het   geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen opJozef   wierp; en zij zeide: lig bij mij!
8 Maar hij   weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeftgeen   kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in   mijnhand gegeven.
9 Niemand is   groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan   u,daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad   doen,en zondigen tegen God!
10 En het   geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet   hoorde,om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;
11 Zo   gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te   doen;en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.
12 En zij   greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in   haarhand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
13 En het   geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en   naarbuiten gevlucht was;
14 Zo riep   zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft   onsden Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij   gekomen,om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;
15 En het   geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet   hijzijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.
16 En zij   legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.
17 Toen sprak   zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwseknecht, dien gij   ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.
18 En het is   geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet,   envluchtte naar buiten.
19 En het   geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tothem   sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan,   zoontstak zijn toorn.
20 En Jozefs   heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waardes   konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.
21 Doch de   HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gafhem genade   in de ogen van den overste van het gevangenhuis.
22 En de   overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het   gevangenhuiswaren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.
23 De overste   van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was,overmits dat   de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE welgedijen

 

SHARE
Previous articleGenesis 38
Next articleGenesis 40