Genesis 40

0
200
Genesis 40
Genesis 40
1 En het   geschiedde na deze dingen, dat de schenker des konings van Egypte en debakker,   zondigden tegen hun heer, tegen den koning van Egypte.
2 Zodat   Farao zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op den overste derschenkers,   en op den overste der bakkers.
3 En hij   leverde hen in bewaring, ten huize van den overste der trawanten, in   hetgevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was.
4 En de   overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zijwaren   sommige dagen in bewaring.
5 Zij   droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar   deuitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, die des konings van   Egyptewaren, die gevangen waren in het gevangenhuis.
6 En Jozef   kwam des morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij warenontsteld.
7 Toen   vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van   hethuis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk   gesteld?
8 En zij   zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, diehem   uitlegge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt   zemij toch.
9 Toen   vertelde de overste der schenkers Jozef zijn droom, en zeide tot hem: Inmijn   droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;
10 En aan den   wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel gingop,   zijn trossen brachten rijpe druiven voort.
11 En Farao’s   beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit inFarao’s   beker, en ik gaf den beker op Farao’s hand.
12 Toen zeide   Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.
13 Binnen nog   drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staatherstellen; en   gij zult Farao’s beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toengij zijn   schenker waart.
14 Doch   gedenk mijner bij uzelven, wanneer het u wel gaan zal, en doe tochweldadigheid   aan mij, en doe van mij melding bij Farao, en maak, dat ik uit dithuis kome.
15 Want ik   ben diefelijk ontstolen uit het land der Hebreen; en ook heb ik hier   nietsgedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben.
16 Toen de   overste der bakkers zag, dat hij een goede uitlegging gedaan had, zozeide hij   tot Jozef: Ik was ook in mijn droom, en zie, drie getraliede korven warenop   mijn hoofd.
17 En in den   opperste korf was van alle spijze van Farao, die bakkerswerk is; en hetgevogelte   at dezelve uit de korf, van boven mijn hoofd.
18 Toen   antwoordde Jozef, en zeide: Dit is zijn uitlegging: de drie korven zijn   driedagen.
19 Binnen nog   drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aaneen hout   hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten.
20 En het   geschiedde op den derden dag, den dag van Farao’s geboorte, dat hij vooral   zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste   derschenkers, en het hoofd van den overste der bakkers, in het midden   zijnerknechten.
21 En hij   deed den overste der schenkers wederkeren tot zijn schenkambt, zodat hijden   beker op Farao’s hand gaf.
22 Maar den   overste der bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.
23 Doch de   overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem.

 

SHARE
Previous articleGenesis 39
Next articleGenesis 41