Home Blog Page 2

Habakuk 3

0
Habakuk 3
Habakuk 3

1 Een gebed van Habakuk, den profeet, op Sjigjonoth.
2 HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens.
3 God kwam van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof.
4 En er was een glans als des lichts, Hij had hoornen aan Zijn hand, en aldaar was Zijn sterkte verborgen.
5 Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen.
6 Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.
7 Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid; de gordijnen des lands van Midian schudden.
8 Was de HEERE ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee, toen Gij op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil.
9 De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekloofd.
10 De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.
11 De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarhenen, met glans Uw bliksemende spies.
12 Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorstet Gij de heidenen.
13 Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; Gij doorwonddet het hoofd van het huis des goddelozen, ontblotende den grond tot den hals toe. Sela.
14 Gij doorboordet met zijn staven het hoofd zijner dorplieden; zij hebben gestormd, om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij de ellendigen in het verborgen zouden opeten.
15 Gij betradt met Uw paarden de zee; de geweldige wateren werden een hoop.
16 Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.
17 Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal;
18 Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.
19 De Heere HEERE is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginoth.

Habakuk 2

0
Habakuk 2
Habakuk 2

1 Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
2 Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.
3 Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.
4 Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
5 En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.
6 Zouden dan niet al dezelve van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging der raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee dien, die vermeerdert hetgeen het zijne niet is (hoe lange!), en dien, die op zich laadt dik slijk.
7 Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?
8 Omdat gij vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgeblevene volken u beroven; om het bloed der mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzelve.
9 Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads.
10 Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.
11 Want de steen uit den muur roept, en de balk uit het hout antwoordt dien.
12 Wee dien, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt!
13 Ziet, is het niet van den HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs?
14 Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.
15 Wee dien, die zijn naaste te drinken geeft, gij, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hun naaktheden aanschouwt.
16 Gij zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt gij ook, en ontbloot de voorhuid; de beker der rechterhand des HEEREN zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.
17 Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds wil der mensen, en des gewelds in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve.
18 Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?
19 Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.
20 Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!

Micha 7

0
Micha 7
Micha 7

1 Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.
2 De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren.
3 Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen.
4 De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen.
5 Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.
6 Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten.
7 Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij horen.
8 Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.
9 Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij uitbrengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.
10 En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.
11 Ten dage als Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan.
12 Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.
13 Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.
14 Gij dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.
15 Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.
16 De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.
17 Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God, en zullen voor U vrezen.
18 Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbij gaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.
19 Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.
20 Gij zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.

Micha 6

0
Micha 6
Micha 6

1 Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.
2 Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israël in recht begeven.
3 O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.
4 Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aäron en Mirjam.
5 Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.
6 Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?
7 Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?
8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
9 De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!
10 Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?
11 Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?
12 Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;
13 Zo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden.
14 Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.
15 Gij zult zaaien, maar niet maaien; gij zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.
16 Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.

Micha 5

0
Micha 5
Micha 5

1 En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.
2 Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israëls.
3 En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.
4 En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.
5 Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.
6 En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.
7 Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.
8 Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.
9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.
10 En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.
11 En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.
12 En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.
13 Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.
14 En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.

Micha 4

0
Micha 4
Micha 4

1 Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.
2 En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.
3 En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leren.
4 Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond des HEEREN der heirscharen heeft het gesproken.
5 Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods; maar wij zullen wandelen in den Naam des HEEREN, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.
6 Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had.
7 En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoten was, tot een machtig volk; en de HEERE zal Koning over hen zijn op den berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.
8 En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochteren van Jeruzalem.
9 Nu, waarom zoudt gij zo groot geschrei maken? Is er geen koning onder u? Is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende vrouw, heeft aangegrepen?
10 Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als een barende vrouw; want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden; aldaar zal u de HEERE verlossen uit de hand uwer vijanden.
11 Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Sion.
12 Maar zij weten de gedachten des HEEREN niet, en verstaan Zijn raadslag niet; dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot den dorsvloer.
13 Maak u op en dors, o dochter Sions! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder gewin den HEERE verbannen, en hun vermogen den Heere der ganse aarde.
14 Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen den rechter Israëls met de roede op het kinnebakken slaan.

Micha 3

0
Micha 3
Micha 3

1 Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?
2 Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen.
3 Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.
4 Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.
5 Alzo zegt de HEERE, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niet geeft in hun mond, tegen dien zo heiligen zij een krijg.
6 Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden.
7 En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.
8 Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israël zijn zonde.
9 Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israëls! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;
10 Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht.
11 Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op den HEERE, zeggende: Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.
12 Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds.

De ontmoeting

0

Ik wil jullie attent maken op de ontmoeting. De ontmoeting is een stichting die vastgelopen mensen helpt hun leven weer op orde te krijgen. Hierdoor krijgen ze weer perspectief in hun leven.

Door de ondersteuning van vrijwilligers en medewerkers kan de ontmoeting deze missie uitvoeren. Hoe door een luisterend oor of praktische begeleiding te bieden. Of door ondersteunende taken te verrichten.

Neem in overweging om deze stichting te ondersteunen. Als je een bedrag kan missen, ook als is het maar 1 euro,  stort het dan naar deze stichting. Je helpt hierdoor je naaste medemens.

Website: https://www.ontmoeting.org/

Ondersteunen: https://www.ontmoeting.org/helpmee/voor-particulieren/

Ik heb ook een bedrag overgemaakt (wat ik kan missen) naar deze stichting. Mijn reden is dat ik een dak boven mijn hoofd heb, ik heb eten en drinken, ik kom niets te kort. Ik wil graag mensen helpen, God heeft mij capaciteiten gegeven om geld te kunnen verdienen. Ik kom niets tekort. Doordat God mij deze capaciteiten heeft gegeven, kan ik deze mensen helpen.

Doe wat binnen je mogelijkheden liggen!

Vriend van groot nieuws radio

0

Afgelopen week ben ik vriend geworden van Groot Nieuws Radio.

https://www.grootnieuwsradio.nl/vriend

Ik ben een trouwe luisteraar, ik luister vooral als ik naar mijn werk rij en mijn favoriete programma is de bijbel door. (https://www.grootnieuwsradio.nl/debijbeldoor) Ik luister via de middengolf 1008 KHZ. De radiozender is door heel Nederland te ontvangen. Zelf heb ik deze zender bij toeval gevonden, via het zoeken van een zender op de autoradio. Het eerste programma wat ik hoorde was de bijbel door. Vanaf dat moment begin ik mijn werkdag met dit programma.

Als je vriend wordt of een donatie geeft, steun je een christelijke radiozender. Zo help ik mee om deze zender te behouden en te laten groeien.

Deze radiozender geeft mij steun in moeilijke tijden en helpt mij God te vinden. De muziek vind ik prachtig om naar te luisteren. Het nummer van Joke Buis, daar ruist langs de wolken is mijn favoriet.

 

Promotie film van Groot Nieuws Radio

 

 

Brief aan god

0

Lieve god ik heb zoveel fouten gemaakt zelfmoordpogingen spijt van heb .zins 14jaar een vriend hij manihs depressief houd verl van hem maar word mee gesleept en beperkt ook dingen gedaan wat niet door de beugel kunnen spijt van heb ook schulden gemaakt voor me kinderen kleinkinderen zou zo graag eigen huisje met me hondje imaya Willem in buurd van de kinderen zou graag me fouten goed maken zou goede contacten op willen bouwen met iedereen zou graag Willen dat mensen om me geven voel me waardeloos en misbruik zou dat kwijt willen zou weer beter voor mezelf willen zorgen lieve god help me aub ik hoop dat er mensen met mij mee willen bidden me echte naam tineke

Lieve vader in Hemel

0

Dank u voor deze mooie dag en dank U boor deze mooie zegen van deze dag.Lieve Vader vandaag heb ik weer gerookt en weer die medicatie ingenomen.Ik voel me weer zo schuldig en verdrietig tegelijk.Vader alstublieft vergeef mij dat het weer is gebeurd.Ik wil U vragen Vader geef mij alle kracht en wijsheid Heer die ik nodig heb Om hiermee te stoppen.Soms weet ik niet waar ik mee moet beginnen als de nieuwe dag begint.Ik wil morgen beginnen met een planning te maken om de dag voor mij nuttig te maken en waar ik voor u aan het werk kan ook wil ik 1 uur per dagbesteding met het lezen uit de bijbel en een stilte te houden met u Vader.Ik wil U vragen of U de Heilige Geest mij wil leiden bij alles wat ik ga doen morgen.

 

Ik bid U dit in Jezus Naam

Lieve Vader in de Hemel

0

Ik schrijf naar U omdat ik genezen wil worden van mijn Zonde die elke dag weer terugkomt.Elke avond vraag ik u om vergeving en schreeuw om hulp dat het niet weer gebeurd.Nu ik naar u mijn gebed kan schrijven voelt voor mij beter en kan ik het beter onder woorden zien Heer help mij om mij te stoppen met die medicatieverslaving en roken ik kan niet meer wordt hier erg verdrietig van en voel me zo schuldig naar u toe Vader wilt U mij alstublieft mij de kracht en wijsheid geven in mij gedrag dat dit echt moet stoppen ik maak mij gezonde lichaam kapot en dat terwijl ik van U bij mij geboorte een mooi gezond lichaam heb gekregen.Vader verbreek deze Zonde in Jezus Naam en werk in min hart Vader.Ik geef mij leven aan u en ik bid in overgave Vader ik geef alles aan u mij kinderen mij geld mij huis mij bezit mij familie alles Heer zodat ik u leven kan leiden en u kan gehoorzamen en dat ik mag werken in u koninkrijk.Laat de Heilige Geest mij leiden Heer Laat mij u liefde doorstromen zodat ik het met al U kinderen mag delen laat mij al u kinderen die ziek zijn of eenzaam het maakt niet uit wat dat ik ze mag helpen het evangelie mag verkondigen behulpzaam zijn liefde geven alles wat u wilt Vader daar wil ik voor leven.

IK BID DIT IN DE NAAM VAN JEZUS

Bent u goed mens?

0

Ik kwam een inspirerende filmpje tegen op Youtube.

 

Praten met God

0

Veel mensen die gelovig zijn, praten niet met god. Terwijl het echt mogelijk is om met hem te praten. Hoe doe je dat dan, maak gebruik van de stilten en richt je tot God. Vertel wat er bij jou leeft en wat je graag wil. Eén ding kan God niet en dat is toveren. En met toveren bedoel ik materiële middelen toveren of ander onmogelijkheden. God is geen Tita Tovenaar. En God luistert echt naar je en hij heeft een plan met ons. Het praten met God is geen probleem, alleen het luisteren is moeilijk. Tijdens stiltes moet je proberen te luisteren naar God. God is niet boos en hij begrijpt jou. Ook vergeet hij jou, door het offer dat Jezus heeft gebracht.

Kom bij Mij en luister; als je luistert, zul je leven. (Jesaja 55:3)

 

Tongentaal vervolg (1)

0

In de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs ( 1 Korintiërs )  is een brief van Paulus aan de gemeente te Korinthe, een havenstad in Griekenland. De brief is 16 hoofdstukken groot. Een onderwerp dat in deze brief uitgebreid aan de orde komt is de Tongentaal en andere gaven van de Heilige Geest (14:1-40).

Over welke gaven wordt gesproken:

Aan sommige gaven is een bediening verbonden: apostelschap (stichtend werk), profetie (de door God aangewezen richting duidelijk maken), evangelisatie (het tot geloof brengen van ongelovigen), herderschap (verantwoordelijkheid dragen voor het geestelijk welzijn van gemeenteleden) en leraarschap (het in kennis laten groeien van gemeenteleden).

Andere gaven die genoemd worden zijn: wonderen (Gods ingrijpen aanroepen), genezing (ziekten, kwalen, emotionele schade of handicaps helen), het onderscheiden van geesten (inzicht in het bovennatuurlijke, van belang bij exorcisme), geloof (vertrouwen op God), organisatie (bestuur van de gemeente), leiding (idem), tongentaal (bidden in onbekende talen), het vertalen van tongentaal, zielzorg (leden die iets te verwerken hebben bijstaan), dienen (de kerkgemeente dienen in praktische zin), geven (materieel en financieel) en barmhartigheid (uit medeleven mensen helpen).

Ook de apostel Paulus sprak in tongen (1 Korintiërs 14:18). Hij legt in de Bijbel uit dat wie in tongen (glossa) spreekt, niet tot de mensen spreekt maar tot God. In zijn brief aan de kerkelijke gemeente van Korinte legt Paulus veel uit over de glossolalie, zoals:

  1. het spreken in tongen is bidden/spreken in verborgenheden door de Heilige Geest (1 Korintiërs 14:2);
  2. het spreken in tongen behoort bij kerkelijke samenkomsten gevolgd te worden door een interpretatie of uitleg van deze tong door iemand die de gave van uitlegging gebruikt (1 Korintiërs 14:27-28);
  3. het spreken van tongen mag niet worden verhinderd (1 Korintiërs 14:39);
  4. iemand die in tongen spreekt, begrijpt zijn woorden zelf niet (1 Korinthiërs 14:2) maar wordt er door opgebouwd in zijn of haar geloof (Judas 20).

De tongentaal is één van de gave van de Heilige Geest. Als ik op internet zoek, kom veel meningen tegen over de gave van de Heilige Geest.

Een aantal website met een mening over de tongentaal.

http://www.tongentaal.nl/
http://www.ontdekgod.nl/bijbel-tongentaal/
http://www.bijbelengeloof.com/index.php?option=com_content&view=article&id=123:tongentaal&Itemid=91
http://www.biddeniseenweg.nl/toerusting/de-praktijk-van-het-bidden/137-tongentaal-of-klanktaal
http://www.cip.nl/god/mei-2015/49487-Tongentaal-is-een-heerlijke-gave
http://www.gotquestions.org/Nederlands/klanktaal-bidden.html
http://www.christeninfo.nl/christelijke-e-books/zoektocht-naar-de-juiste-kerk/spreken-in-tongen
https://staatgeschreven.nl/2010/08/20/spreken-in-tongen/
https://www.christianmatch.nl/forum/forum_posts.php?tId=3055&start=30
http://www.evangelisch-nieuws.nl/spreken-in-tongen.html
http://www.sign2god.com/Geestesgaven/Tongentaal/Tongentaal.html
http://vergadering.nu/wommack/wommack020de-heilige-geest-tape-2-spreken-in-tongen.htm
http://www.trouw.nl/tr/nl/4716/Christendom/article/detail/3504448/2013/09/05/Amerikaanse-pinkstergelovigen-spreken-minder-in-tongen.dhtml

Ik ben alles aan het lezen hierover. In mijn jeugd werd nooit over tongentaal gesproken, behalve tijdens de diensten van Pinksteren. Ik maak op uit 1 Korintiërs, dat de gaven van de Heilige Geest, nog altijd moeten bestaan. Deze zijn nooit terug getrokken. Het lijkt wel of deze gaven, door de jaren heen, niet verder zijn uitgedragen door de kerk. En nog steeds verhoord onze gebeden. Zoals ik denk te begrijpen, zorgde de tongentaal, dat gelovigen met elkaar konden communiceren, het was een middel om gelovigen, die andere talen (Latijn, Grieks, Hebreeuws) spraken met elkaar te laten communiceren.

Ik ga verder met lezen en om eerlijk te zijn, ik begrijp steeds meer van de bijbel en het woord van God. Ik ga verder met mijn zoektocht en wordt vervolgd.

Vervolg van http://www.brievenaangod.info/tongentaal/

Tongentaal

0

Ik heb zo vaak gehoord dat mensen nog steeds de tongentaal spreken. Ik wil hier meer van weten. Wikipedia zegt het volgende over tongentaal.

Christelijke glossolalie of christelijke glossolalia, ook wel ‘spreken in tongen’, ‘tongentaal’ of ‘klanktaal’ genoemd, is een verschijnsel binnen het christendom. Het wordt in het Nieuwe Testament genoemd als één van de gaven van de Heilige Geest (1 Korintiërs 12) en als een teken dat men gelovig is (Marcus 16:17). Het is een spreken in een voor de spreker onbekende taal. De gave kwam volgens de teksten uit het Nieuwe Testament bij de eerste kerk veelvuldig voor. Zo spraken allen in tongen bij de uitstorting van de Heilige Geest (het Pinksterfeest), met als resultaat dat tientallen internationale toehoorders over “Gods grote daden” in hun eigen taal of dialect hoorden. Het spreken in tongen werd gezien als een gebeurtenis waardoor de Heilige Geest zich manifesteerde (Handelingen 10:44-46).

Ik wil dit verder gaan onderzoeken. Er is materiaal genoeg op het internet. Kijk maar eens naar de volgende film

 

Vervolg Encounter film (The Encounter: Paradise Lost)

0

Vandaag op internet gezocht of het vervolg van de Encounter film. Inmiddels heb ik trailer gevonden. De film laat wederom de liefde van God zien voor ons mensen. Ik hoop dat deze film ook op Netflix wordt uitgezonden. Jezus is vergeving. Uiteraard is deze vergeving niet vrijblijvend, dit zijn niet de kleine lettertjes onderaan een contract. De voorwaarde voor vergeving is dat je ook andere mensen vergeeft.

The Encounter (2011 film)

0

Ik heb vanavond naar een film op NETFLIX gekeken. Het ging over de mogelijkheden die God aan ons geeft voor vergeving. De film speelt zich af in de VS, waar een 5 tal mensen elkaar ontmoeten, in een eettent. De eigenaar is Jezus en stelt mensen vragen en geeft een antwoord op vragen. Als je vergeeft krijg je vergeven, als God om hulp vraagt, krijg je hulp, je hoeft het enkel maar te vragen.

Vijf vreemdelingen zijn gestrand in een afgelegen gebied en verzamelen zich in een verlaten wegrestaurant. Een arrogante zakenman, een eenzame vrouw, een stel dat op het punt staat om te scheiden en een doorgedraaid meisje worden allen geconfronteerd met de eigenaar van het restaurant, die meer serveert dan alleen een maaltijd. Deze geniale gastheer kent al hun geheimen en heeft het antwoord op al hun vragen. Het enige wat ze moeten doen is hem vertrouwen.

links

https://en.wikipedia.org/wiki/The_Encounter_(2011_film)
http://www.moviemeter.nl/film/79225

Het is een aanrader deze film te kijken.

Zacharia 4

0
Zacharia 4
Zacharia 4

1 En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt.
2 En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;
3 En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde.
4 En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen?
5 Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!
6 Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.
7 Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven!
8 Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:
9 De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de HEERE der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft.
10 Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen des HEEREN, die het ganse land doortrekken.
11 Verder antwoordde ik, en zeide tot Hem: Wat zijn die twee olijfbomen, ter rechterzijde des kandelaars, en aan zijn linkerzijde?
12 En andermaal antwoordende, zo zeide ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes der olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten?
13 En Hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet, wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!
14 Toen zeide Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der ganse aarde staan.

Zacharia 3

0
Zacharia 3
Zacharia 3

1 Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.
2 Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?
3 Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.
4 Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.
5 Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.
6 Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende:
7 Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.
8 Hoor nu toe, Josua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.
9 Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.
10 Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.

Zacharia 2

0
Zacharia 2
Zacharia 2

1 Wederom hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer.
2 En ik zeide: Waar gaat gij henen? En hij zeide tot mij: Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal.
3 En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet.
4 En hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal.
5 En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.
6 Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de HEERE.
7 Hui, Sion! ontkomt gij, die woont bij de dochter van Babel!
8 Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.
9 Want ziet, Ik zal Mijn hand over henlieden bewegen, en zij zullen hunnen knechten een roof wezen. Alzo zult gijlieden weten, dat de HEERE der heirscharen mij gezonden heeft.
10 Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de HEERE.
11 En vele heidenen zullen te dien dage den HEERE toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en gij zult weten, dat de HEERE der heirscharen mij tot u gezonden heeft.
12 Dan zal de HEERE Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.
13 Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des HEEREN! want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.

Hosea 14

0
Hosea 14
Hosea 14

1 Samaria zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderkens zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden.
2 Bekeer u, o Israël! tot den HEERE, uw God, toe; want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid.
3 Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den HEERE; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.
4 Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.
5 Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd.
6 Ik zal Israël zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.
7 Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon.
8 Zij zullen wederkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.
9 Efraïm! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden.
10 Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.

Hosea 13

0
Hosea 13
Hosea 13

1 Als Efraïm sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; maar hij is schuldig geworden aan den Baäl en is gestorven.
2 En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen.
3 Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat; als kaf van den dorsvloer, en als rook uit den schoorsteen wordt weggestormd.
4 Ik ben toch de HEERE, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt gij geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.
5 Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land.
6 Daarna zijn zij, naardat hunlieder weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten.
7 Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op den weg.
8 Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en Ik verslond ze aldaar als een oude leeuw; het wild gedierte des velds verscheurde hen.
9 Het heeft u bedorven, o Israël! want in Mij is uw hulp.
10 Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten?
11 Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn verbolgenheid.
12 Efraïms ongerechtigheid is samengebonden, zijn zonde is opgelegd.
13 Smarten ener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.
14 Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,
15 Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostenwind komen, een wind des HEEREN, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, diezelve zal den schat van alle gewenste huisraad roven.

Hosea 12

0
Hosea 12
Hosea 12

1 Die van Efraïm hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis Israëls met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw.
2 Efraïm weidt zich met wind, en jaagt den oostenwind na; den gansen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.
3 Ook heeft de HEERE een twist met Juda, en Hij zal bezoeking doen over Jakob naar zijn wegen, naar zijn handelingen zal Hij hem vergelden.
4 In moeders buik hield hij zijn broeder bij de verzenen; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God.
5 Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen den Engel, en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem. Te Beth-el vond hij Hem, en aldaar sprak Hij met ons;
6 Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam.
7 Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uw God.
8 In des koopmans hand is een bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken;
9 Nog zegt Efraïm: Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen; in al mijn arbeid zullen zij mij geen ongerechtigheid vinden, die zonde zij.
10 Maar Ik ben de HEERE, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen der samenkomst;
11 En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het gezicht vermenigvuldigen; en door den dienst der profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen.
12 Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steen hopen op de voren der velden.
13 Jakob vlood toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw.
14 Maar de HEERE voerde Israël op uit Egypte door een profeet, en door een profeet werd hij gehoed.
15 Efraïm daarentegen heeft Hem zeer bitterlijk vertoornd; daarom zal Hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijn smaad vergelden.

Hosea 11

0
Hosea 11
Hosea 11

1 Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen.
2 Maar gelijk zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden den Baäls, en rookten den gesnedenen beelden.
3 Ik nochtans leerde Efraïm gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas.
4 Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als degenen, die het juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe.
5 Hij zal in Egypteland niet wederkeren; maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren.
6 En het zwaard zal in zijn steden blijven, en zijn grendelen verteren, en opeten, vanwege hun beraadslagingen.
7 Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.
8 Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.
9 Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen.
10 Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.
11 Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt de HEERE.

Hosea 10

0
Hosea 10
Hosea 10

1 Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.
2 Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren.
3 Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
4 Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.
5 De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn Chemarim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren.
6 Ja, datzelve zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor den koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.
7 De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water.
8 En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!
9 Sinds de dagen van Gibea, hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.
10 Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren.
11 Dewijl Efraïm een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.
12 Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene.
13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.
14 Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd verpletterd met de zonen.
15 Alzo heeft Beth-el ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israëls koning is in den dageraad ten enenmale uitgeroeid.

Hosea 9

0
Hosea 9
Hosea 9

1 Verblijd u niet, o Israël! tot opspringens toe, gelijk de volken; want gij hoereert van uw God af; gij hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren des korens.
2 De dors vloer en de wijnkuip zal henlieden niet voeden; en de most zal hun liegen.
3 Zij zullen in des HEEREN land niet blijven; maar Efraïm zal weder tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten.
4 Zij zullen den HEERE geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in des HEEREN huis niet komen.
5 Wat zult gijlieden dan doen op een gezetten hoogtijdsdag, en op een feestdag des HEEREN?
6 Want ziet, zij gaan daarhenen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn.
7 De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man des geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot.
8 De wachter van Efraïm is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods.
9 Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea; Hij zal hunner ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.
10 Ik vond Israël als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Baäl-peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij.
11 Aangaande Efraïm, hunlieder heerlijkheid zal wegvlieden als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af.
12 Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn!
13 Efraïm is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager.
14 Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.
15 Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen.
16 Efraïm is geslagen, hunlieder wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden.
17 Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen; en zij zullen omzwervende zijn onder de heidenen.

De straf is voor mij….

0

Mijn vrouw is 80 jaar. Ik ben 84.
God U weet alles al. Maar ik ga het U nog maals vertellen.
Mijn vrouw en ik zijn 58 jaar samen getrouwd en ik ken haar 65 jaar.
Plotseling afgelopen jaar (geholpen of niet) heeft ze ons huwelijk kapot gemaakt.
Ik krijg de schuld dat haar tot deze beslissing heeft doen komen. Ze wil niets meer van mij weten.
Wij zijn gescheiden.
Ik weet in geheel niet wat ik fout hebt gedaan bij haar.
Al ruim 7 maanden wil ze niet met mij spreken
Wij zijn uit elkaar, Zij woont in Dronten, en ik in Almere.
Ons huis in Lelystad moesten wij verkopen.
Wij zijn beide kinderen van U. God.
Kun U mij helpen, Ik zou niet weten hoe.
Ik huil van wat zij mij hebt aangedaan.
Daarom Lieve Vader in hemel schrijf ik U deze brief.
Mijn vrouw heet Gonnie en ik Gerrit.
Ik heb zo’n verdriet om haar.


 

Beste Gerrit,

God kan niets doen aan de keuze van mensen. Het is altijd vrije wil. Hij kan jou en je vrouw wel vergeven. Ik adviseer je om met een dominee of pastor te gaan praten.

Radio Maria

0

Ik wil jullie aandacht vragen voor Radio Maria, een Christelijke omroep die op DAB en op internet het woord van God uitzenden. Deze zender heeft als doelgroep de Katholieken.

http://www.radiomaria.nl/?page_id=23 

Radio Maria is afhankelijk van donaties, voel je vrij om te doneren.

 

Deze week stond in het teken van hemelvaart

0

Donderdag was het ruim 2000 jaar geleden dat Jezus naar de hemel is gevaren, 39 dagen na zijn opstandig uit de dood. In in het Oude Testament is twee (of drie) keer sprake van een hemelvaart, namelijk bij Henoch, Elia en eventueel van Mozes.

De hemelvaart veertig dagen na Pasen is gebaseerd op Handelingen van de Apostelen 1:1-12. Volgens de meest gangbare uitleg voer Jezus volgens dit verhaal veertig dagen na zijn opstanding op naar de hemel:

Zijn discipelen waren bij de hemelvaart aanwezig. Hij beloofde hen dat de heilige Geest binnen korte tijd zou komen om hen te helpen en te ondersteunen.
Toen hij dit gezegd had, werd hij voor hun ogen omhooggeheven en opgenomen in een wolk, zodat ze hem niet meer zagen. Terwijl hij zo van hen wegging en zij nog steeds naar de hemel staarden, stonden er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. Ze zeiden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Jezus, die uit jullie midden in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie hem naar de hemel hebben zien gaan.’
(Handelingen 1:9-11 NBV)
Volgens dit Bijbelverhaal werd de belofte van de heilige Geest vervuld op Pinksteren, vijftig dagen na Pasen. Ook in het Evangelie volgens Lucas, dat van dezelfde auteur is als de Handelingen van de apostelen, wordt verteld over de opname van Jezus in de hemel. Na zijn verschijning aan de leerlingen op de dag van de opstanding, gaat hij met hen de stad uit tot bij Betanië. Dan gebeurt het volgende:
Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.
(Lucas 24:51 NBV)
 

Het later toegevoegde slot aan het Evangelie volgens Marcus plaatst de hemelvaart ook direct na de laatste verschijning van de opgestane Jezus aan de elf apostelen (Marcus 16:19). Deze tekst is waarschijnlijk gebaseerd op de verhalen van Lucas.

Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God.
(Marcus 16:19 NBV)

Ik ben blij dat ik God, Jezus en de heilige geest in mijn leven is gekomen. Ik zou niet moeten denken dat ik het zonder God en Jezus zou moeten doen.

Zondige mensen

0

Ingezonden brief 1-5-2016

Net als elke Christen probeer ik zonden vrij te leven. En met nadruk op probeer, want ik verval net als ieder ander in het zondige. Ik ben net als iedereen wel eens boos en dan val ik zonden, door boos te denken, te handelen en ga maar door. Ook als ik terug denk in mijn leven, zie ik pas nu hoe fout mijn handelen was, jegens mijn medemens. Hoe zou je het kunnen omschrijven, het niet gunnen, het bewust dwars zitten van mensen, het onhebbelijk zijn. Opzettelijk de confrontatie zoeken, teneinde elke keer weer conflict te veroorzaken. En omgekeerd hebben ook mensen dit tegen mij gedaan. Ik leefde ervoor en dat is fout, dan ga je naar het duister toe.

Dit zijn geen goede eigenschappen voor iemand die als Christelijk wil doorgaan. Kortom, ik ben zondig mens en blijf proberen om geen zondenaar te zijn. God weet precies hoe wij zijn, hoe we denken, hoe gemeen wij tegen elkaar zijn. En dan komen wij op het punt van vergeving, ik wil vergeving voor mijn zonden. Want ik heb ze ook echt begaan. Maar ik moet ook vergeven, want anderen hebben ook zonden tegen mij gedaan. En dat laatste is zo verschrikkelijk moeilijk. Waarom, om een mens vol zit met wraak gedachten, het elkaar terugpakken. En ja, de cirkel is weer rond. Voor mij is het nu vergeven en vergeven worden. Dit vraag ik vaak aan God in een gebed. En vergeven is echt heel moeilijk, God heeft Jezus naar de aarde gezonden, om van zijn kant vergeving mogelijk te maken. En Jezus is 2000 jaar geleden gestorven voor ons. Ik ben elke dag dankbaar voor dit offer en ik probeer een goed mens te zijn en dit kost mij veel moeite. Zonder God en het offer van Jezus was ik voor mijn omgeving een slecht mens gebleven.

Dank U, Heer, voor het offer van Uw zoon en dat U voor ons vergeving heeft mogelijk gemaakt.

Ik zoek God (website)

0

Deze brief van God aan jou is te lezen op Youtube, maar is ook te vinden op de website Ik zoek God. https://ikzoekgod.nl . Onze hemelse vader wil graag contact met ons en hij vergeeft onze zonden. Hij heeft een groot offer gebracht door zijn zoon te sturen, die stierf voor onze zonden.0

Ik raad je aan deze website te bezoek als je opzoek bent naar hem.

De Reformatorische Omroep

0

Stichting Reformatorische Omroep (RO) heeft als doelstelling om radio- en videoprogramma’s voor gezinnen in de hele gereformeerde gezindte te maken en zendt uit via het internet. Daardoor zijn de programma’s met een computer te beluisteren en te bekijken in Nederland en in het buitenland. Verder zijn de programma’s zonder computer te ontvangen met een internetradio, via de kerktelefoon (Kerkomroep) en in veel bejaarden- en verpleegtehuizen.

http://www.reformatorischeomroep.nl/

Deze omroep zend christelijke radio uit op internet en is gericht op de gereformeerde gemeenschap in Nederland. De muziek is fijn om naar te luisteren,

 

Daniël 13

0
Daniël 13
Daniël 13

1 Daar was een man woonachtig te Babylon, wiens naam was Jojakim.

2 Die nam een vrouw genaamd Susanna, een dochter van Chelkias, welke zeer schoon was, en de Here vrezende.

3 Want hare ouders waren rechtvaardig en hadden hun dochter onderwezen naar de wet van Mozes.

4 En Jojakim was zeer rijk, en hij had een hof nabij zijn huis, en de Joden kwamen bij hem tezamen, dewijl hij de aanzienlijkste was van hen allen.

5 En daar werden in hetzelfde jaar twee oudsten uit het volk tot rechters gesteld; van welke de Here gesproken heeft, dat ongerechtigheid uit Babylon was uitgegaan van de oudsten en rechters, die het volk schenen te regeren.

6 Deze waren gedurig in het huis van Jojakim, en tot hen kwamen allen, die enige zaak voor het gericht hadden.

7 En het geschiedde als het volk op de middag was vertrokken, dat Susanna heenging, en wandelde in de hof van haar man.

8 En de twee oudsten zagen haar alle dagen in de hof gaan en wandelen, en werden over haar met begeerlijkheid ontstoken.

9 En verkeerden hun eigen zin, en wendden hun ogen af, zodat zij naar de hemel niet zagen, noch aan rechtvaardige gerichten gedachten.

10 En zij waren beiden over haar ontstoken, maar verhaalden elkander hun pijn niet;

11 Overmits zij zich schaamden hun lusten te verhalen, en dat zij met haar wilden te doen hebben.

12 En zij namen haar dagelijks naarstig waar om haar te zien;

13 En zeiden de een tot de ander: Welaan, laat ons naar huis gaan, want het is de ure des middagmaals.

14 En uitgegaan zijnde, scheidden zij van elkander, en wederkerende, kwamen zij tegelijk bijeen, en als zij elkander naar de oorzaak vroegen, bekenden zij aan elkander hun begeerlijkheid; en toen beraamden zij in het gemeen te zamen gelegen tijd, wanneer zij haar zouden kunnen alleen vinden.

15 En het geschiedde toen zij een bekwame dag waargenomen hadden, kwam Susanna gelijk zij dagelijks gewoon was, met twee dienstmaagden alleen en wilde zich in de hof wassen, overmits het zeer heet was.

16 En aldaar was niemand dan de twee oudsten, die daarin verborgen waren, en haar waarnamen.

17 En zij zeide tot haar maagden: Haalt mij nu zalf en zeep, en sluit de deuren van de hof, opdat ik mij mag wassen.

18 En zij deden als zij zeide, en zij sloten de deuren van de hof toe, en gingen door een zijdeur om te halen hetgeen haar was bevolen; en zij zagen de oudsten niet, omdat zij zich verstoken hadden.

19 En het geschiedde als de maagden uitgegaan waren, dat de twee oudsten opstonden, en liepen tot haar, en zeiden:

20 Zie de deuren van de hof zijn gesloten, en niemand ziet ons, en wij zijn met lust tegen u ontstoken, daarom doe onze wil en zijt bij ons.

21 Doch indien niet zo zullen wij tegen u getuigen dat een jong gezel bij u is geweest, en dat gij daarom uw dienstmaagden van u hebt weggezonden.

22 En Susanna zuchtte zwaar en sprak: Mij is van alle zijden bang, want, indien ik dat doe, zo ben ik des doods; en indien ik het niet doe, zo zal ik uw handen niet ontvlieden.

23 Doch het is mij raadzamer zulks niet doende in uw handen te vallen, dan te zondigen tegen de Here.

24 En Susanna riep met luider stem, en de twee oudsten riepen ook tegen haar.

25 En de ene van hen toelopende deed de deuren van de hof open.

26 Toen nu die van het huisgezin het geroep, dat in de hof was hoorden, zo liepen zij daarin door de zijdeur, om te zien wat haar geschied was.

27 Toen nu de oudsten hun redenen zeiden, zo hebben zich de knechten zeer geschaamd, want nooit was zulk een rede van Susanna door iemand gesproken.

28 En het geschiedde des anderen daags, als het volk tezamen kwam ten huize van haar man Jojakim, dat de twee oudsten ook kwamen vol van boos voornemen tegen Susanna, om haar te doen doden;

29 En zeiden tot het volk: Zend om Susanna, de dochter van Chelkias, de huisvrouw van Jojakim, en zij zonden om haar.

30 En zij kwam met haar ouders, en met haar kinderen, en met al haar maagschap.

31 Doch Susanna was zeer teder en schoon van gezicht.

32 Daarom bevalen deze booswichten dat zij haar aangezicht zou ontdekken, want zij was gedekt, opdat zij zich aan haar schoonheid mochten verzadigen.

33 En die bij haar waren, en allen die haar zagen, weenden.

34 En de twee oudsten stonden op in het midden van het volk, en legden de handen op haar hoofd.

35 Maar zij weende, en zag op naar de hemel, want haar hart vertrouwde op de Here.

36 En de oudsten zeiden: Toen wij in de hof alleen wandelden, kwam deze met twee dienstmaagden, en sloot de deuren van de hof toe en zond de maagden van haar weg;

37 Een jong gezel kwam tot haar, die verstoken was, en legde zich bij haar.

38 Maar wij zijnde in de hoek van de hof, en deze schande ziende, liepen naar haar toe;

39 En ziende hen bij elkander, konden wij de gezel niet machtig worden, omdat hij sterker was dan wij; en hij deed de deuren open en sprong weg.

40 Doch deze grepen wij en vraagden haar wie de jongeling was, en zij wilde ons zulks niet zeggen. Dit getuigen wij.

41 En de vergadering geloofde hen als oudsten en rechters van het volk, en veroordeelden haar om te sterven.

42 Doch Susanna riep uit met luider stem, en zeide: O eeuwige God, die een kenner zijt der verborgen dingen, en die alle dingen weet eer zij zijn,

43 Gij weet dat zij leugens tegen mij getuigen, en zie ik moet sterven daar ik niets gedaan heb van hetgeen deze tegen mij boos getuigen.

44 En God hoorde haar stem.

45 En als men haar wegvoerde tot de dood, zo verwekte God de heilige geest van een jongeling, die genaamd was Daniël.

46 En hij riep met luider stem: Ik ben rein van dit bloed;

47 En het ganse volk wendde zich om naar hem, en zeide: Wat rede is dit die gij gesproken hebt?

schilderij van Sebastiano Ricci: Susanna voor Daniël

48 Doch hij staande in het midden van hen, zeide: Zijt gij kinderen Israëls zo dwaas, dat gij een dochter Israëls veroordeelt, eer gij de zaak onderzocht en de zekerheid daarvan verstaan hebt?

49 Keert weder naar het gericht, want dezen hebben valse dingen tegen haar getuigd.

50 En het ganse volk keerde met haast weder; en de oudsten zeiden tot hem: Kom herwaarts, en zit in het midden van ons, en onderricht ons, dewijl God u het rechterambt heeft gegeven.

51 En Daniël sprak tot hen: Scheidt de een ver van de ander, en ik zal hen ondervragen.

52 Als nu de een van de ander gescheiden was, zo riep hij de een van hen, en zeide tot hem: Gij verouderde in boze dagen, nu zijn uw zonden op u gekomen, die gij te voren hebt gedaan.

53 Als gij onrechtvaardige oordelen oordeeldet, en de onschuldige veroordeeldet, maar de schuldige losliet; daar de Here zegt: Gij zult de onschuldige en rechtvaardige niet doden.

54 Nu welaan dan, indien gij deze gezien hebt, zo zeg onder welke boom gij hen bij elkander hebt zien verkeren, en hij zeide: Onder een mastiekboom.

55 Toen zeide Daniël: Zeer wel, gij hebt tegen uw eigen hoofd gelogen; want de engel des Heren zal nu bevel van God ontvangen, en u midden doorklieven.

56 En als hij deze had doen weggaan, beval hij dat men de ander zou voorbrengen, en zeide tot hem: Gij zaad van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft u bedrogen, en de begeerlijkbeid heeft uw hart verkeerd.

57 Alzo hebt gij de dochters van Israël gedaan, en die hebben door vrees zich met u vermengd, maar deze dochter van Juda heeft uw boosheid niet verdragen.

58 Nu dan zeg mij, onder wat boom hebt gij haar gegrepen, daar zij met elkander verkeerden, en hij zeide: Onder een eik.

59 Toen zeide Daniël tot hem: Zeer wel, gij hebt ook tegen uw eigen hoofd gelogen, want de engel Gods, die het zwaard heeft, wacht op u, om u middendoor te houwen, opdat hij ulieden uitroeie.

60 En de gehele vergadering riep uit met luider stem, en loofden God, die een Verlosser is dergenen die op hem hopen,

61 En stonden op tegen de twee oudsten, overmits Daniël hen uit hun eigen mond van valse getuigenis had overtuigd.

62 En zij hebben hun gedaan naar de wet van Mozes, op zodanige wijze als zij hun naaste boos meenden te doen, en hebben hen gedood, en het onschuldige bloed is op die dag verlost geworden.

63 Doch Chelkias, en zijn huisvrouw, loofden God over hun dochter Susanna, met Jojakim haar man, en haar ganse maagschap, omdat geen oneerlijke zaak in haar was gevonden.

64 En Daniël werd groot voor het volk, van die dag aan en daarna.

Daniël 12

0
Daniël 12
Daniël 12

1 En te dier tijd zal Michaël opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

2 En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.

3 De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.

4 En gij, Daniël! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.

5 En ik, Daniël, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.

6 En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?

7 En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechter hand en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.

8 Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?

9 En Hij zeide: Ga henen, Daniël! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.

10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.

11 En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.

12 Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.

13 Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.

Daniël 11

0
Daniël 11
Daniël 11

1 Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius, den Meder, om hem te versterken en te stijven.

2 En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met groten rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.

3 Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.

4 En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen, dan deze.

5 En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.

6 Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkander bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot de koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.

7 Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen.

8 Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven den koning van het Noorden.

9 Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken.

10 Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.

11 En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijn hand gegeven worden.

12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.

13 Want de koning van het Noorden zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren, zal hij snellijk komen met een grote heirkracht, en met groot goed.

14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden, om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen.

15 En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.

16 Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.

17 En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn.

18 Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.

19 En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden.

20 En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, nochtans niet door toornigheden, noch door oorlog.

21 Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.

22 En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de vorst des verbonds.

23 En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden.

24 Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden zijn gedachten denken, doch tot een zekeren tijd toe.

25 En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.

26 En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht deszelven zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.

27 En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.

28 En hij zal in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en wederkeren in zijn land.

29 Ter bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize.

30 Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal wederkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds.

31 En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.

32 En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.

33 En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.

34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.

35 En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.

36 En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.

37 En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.

38 En hij zal den god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.

39 En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs.

40 En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.

41 En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons.

42 En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.

43 En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.

44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.

45 En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeën aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.

Daniël 10

0
Daniël 10
Daniël 10

1 In het derde jaar van Kores, den koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.

2 In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken der dagen.

3 Begeerlijke spijze at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij gans niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren.

4 En op den vier en twintigsten dag der eerste maand, zo was ik aan den oever der grote rivier, welke is Hiddekel.

5 En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz.

6 En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem Zijner woorden was gelijk de stem ener menigte.

7 En ik, Daniël, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; doch een grote verschrikking viel op hen, en zij vloden, om zich te versteken.

8 Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.

9 En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.

10 En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieën, en de palmen mijner handen.

11 En Hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.

12 Toen zeide Hij tot mij: Vrees niet, Daniël! want van den eersten dag aan, dat gij uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelven te verootmoedigen, voor het aangezicht uws Gods, zijn uw woorden gehoord, en om uwer woorden wil ben Ik gekomen.

13 Doch de vorst des koninkrijks van Perzië stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michaël, een van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzië.

14 Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, hetgeen uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen.

15 En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.

16 En ziet, Een, den mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zeide tot Dien, Die tegenover mij stond: Mijn Heere! om des gezichts wil keren zich mijn weeën over mij, zodat ik geen kracht behoude.

17 En hoe kan de knecht van dezen mijn Heere spreken met dien mijn Heere? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.

18 Toen raakte mij wederom aan Een, als in de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij.

19 En Hij zeide: Vrees niet, gij zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want Gij hebt mij versterkt.

20 Toen zeide Hij: Weet gij, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Doch nu zal Ik wederkeren om te strijden tegen den vorst der Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen.

21 Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michaël.

Daniël 9

0
Daniël 9
Daniël 9

1 In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeeën;

2 In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.

3 En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.

4 Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.

5 Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.

6 En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.

7 Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israël, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, om hun overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben.

8 O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.

9 Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.

10 En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.

11 Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.

12 En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.

13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende op Uw waarheid.

14 Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.

15 En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.

16 O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.

17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des Heeren wil.

18 Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.

19 O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.

20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;

21 Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, dien ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.

22 En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniël! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.

23 In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.

24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.

25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.

26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.

27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.

Daniël 8

0
Daniël 8
Daniël 8

1 In het derde jaar des koninkrijks van den koning Belsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniël, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.

2 En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was.

3 En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.

4 Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.

5 Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.

6 En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht.

7 En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.

8 En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels.

9 En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.

10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.

11 Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.

12 En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.

13 Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?

14 En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.

15 En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniël, zo zocht ik het verstand deszelven, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans.

16 En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zeide: Gabriël! geef dezen het gezicht te verstaan.

schilderij van Rembrandt Harmensz. van Rijn: Het visioen van Daniël aan de rivier de Ulai

17 En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.

18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.

19 En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.

20 De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.

21 Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.

22 Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.

23 Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;

24 En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven;

25 En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.

26 Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.

27 Toen werd ik, Daniël, zwak, en was enige dagen krank; daarna stond ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.

Daniël 7

0
Daniël 7
Daniël 7

1 In het eerste jaar van Belsazar, den koning van Babel, zag Daniël een droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken.

2 Daniël antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.

3 En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.

4 Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.

5 Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.

6 Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.

7 Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.

8 Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.

9 Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.

10 Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.

11 Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.

12 Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.

13 Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.

14 En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.

15 Mij Daniël werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij.

16 Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.

17 Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.

18 Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

19 Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.

20 En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.

21 Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht,

22 Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.

23 Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen.

24 Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.

25 En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogsten, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.

26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.

27 Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.

28 Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniël aangaat, mijn gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dat woord in mijn hart.

U kent mij u weet wie ik ben

0

Heer,
U kent mij u weet wie ik ben. U weet waar ik door heen ga. U heeft me al zo goed geholpen en gesteund. Ik leun op u. Maar de weg voor me is nog zo onzeker heer. Ik wil zo graag dat deze periode voorbij is, dat ik mijn leven weer kan leiden zoals het was met nog steeds u aan mijn zijde. Wilt u mij helpen om zo snel mogelijk resultaat te bereiken met de therapie. Zodat ik door kan met mijn leven,dat ik samen met mijn man het leven zoals het was weer op kan pakken, met u aan onze zijde…

Gelukkig nieuwjaar 2016 !!!

0

https://www.youtube.com/watch?v=H-no59lAaPI

Ik wens jullie een fijne Kersttijd toe !

0

https://www.youtube.com/watch?v=NfJfGDjRJlg

Wat is Kerstmis ?

0

Kerstmis (veelal zo aangeduid door Rooms-katholieken), kerst(feest) (veelal zo aangeduid door protestanten) of het geboortefeest van de Heer is een belangrijk christelijk feest in het kerkelijk jaar.

Met Kerstmis wordt door christenen de geboorte van Jezus Christus gevierd. De evangeliën van Lucas en Matteüs beschrijven de geboorte van Jezus. Vooral Lucas geeft brede aandacht aan de geboorte van Jezus in Bethlehem.

Het kerstfeest wordt in de westers-christelijke wereld en in sommige Kerken van het Oosters christendom gevierd op 25 december. In die Oosterse kerken die de Juliaanse kalender gebruiken voor de liturgische kalender (zoals de Russisch-orthodoxe Kerk en de Ethiopisch-orthodoxe Kerk), wordt het 13 dagen later gevierd. In veel streken zijn er tevens speciale vieringen op de avond ervoor (kerstavond, middernachtsmis) en/of op de dag erna. In West-Europa wordt 25 december als eerste kerstdag en 26 december als tweede kerstdag beschouwd.

Verschillende elementen in de wijze waarop men Kerstmis viert gaan terug op voorchristelijke en Germaanse tradities. Het feest is in de recente geschiedenis in grote delen van de westerse wereld in hoge mate geseculariseerd.

Hoewel Pasen theologisch gezien veel belangrijker is, wordt buiten de Liturgie het kerstfeest in het Westen veel nadrukkelijker gevierd. In het christelijke Oosten is ook buiten de Kerk het Paasfeest belangrijker en speelt daarnaast het feest van Epifanie een belangrijkere rol. In de Ethiopisch-orthodoxe Kerk is Epifanie (Timkat in het Amhaars) zelfs de belangrijkste christelijke feestdag.

266px-Christmas_collage

Stille Nacht Heilige Nacht

0

 

Originele Duitse tekst
meestal worden alleen coupletten 1, 2 en 6 gezongen
Stille Nacht! Heilige Nacht!
Alles schläft, einsam wacht
Nur das traute hoch heilige Paar.
“Holder Knab’ im lockigen Haar,
Schlaf in himmlischer Ruh’,
Schlaf in himmlischer Ruh!”
Stille Nacht! Heilige Nacht!
Gottes Sohn, o, wie lacht
Lieb’ aus deinem göttlichen Mund,
Da uns schlägt die rettende Stund’,
Christ, in deiner Geburt,
Christ, in deiner Geburt!
Stille Nacht! Heilige Nacht!
Die der Welt Heil gebracht;
Aus des Himmels goldenen Höhn,
Uns der Gnade Fülle läßt sehn:
Jesum in Menschengestalt,
Jesum in Menschengestalt.
Stille Nacht! Heilige Nacht!
Wo sich heut’ alle Macht
Väterlicher Liebe ergoß,
Und als Bruder huldvoll umschloß
Jesus, die Völker der Welt,
Jesus, die Völker der Welt,
Stille Nacht! Heilige Nacht!
Lange schon uns bedacht,
Als der Herr, vom Grimme befreit,
In der Väter urgrauer Zeit
Aller Welt Schonung verhieß.
Aller Welt Schonung verhieß.
Stille Nacht! Heilige Nacht!
Hirten erst Kund gemacht.
Durch der Engel Hallelujah,
Tönt es laut von fern und nah:
“Christ, der Retter ist da,
Christ, der Retter ist da!”

Stille Nacht is een populair Kerstlied. De oorspronkelijke tekst werd in het Duits geschreven door Joseph Mohr. De Oostenrijkse componist Franz Gruber schreef de melodie. Deze melodie is inmiddels iets veranderd. Het lied is in meer dan 40 talen vertaald en uitgevoerd door ruim 300 artiesten, hiermee is het wereldwijd een van de meest populaire liederen aller tijden. Het lied wordt vaak zonder of met minimale muzikale begeleiding gezongen.

Stille Nacht werd voor het eerst opgevoerd in de St. Nikolauskerk in Oberndorf (Oostenrijk) op eerste kerstdag 1818. De tekst was door Mohr al in 1816 geschreven, maar op kerstavond 1818 vroeg Mohr aan Gruber om een gitaarbegeleiding te maken bij de tekst. Waarom specifiek om een gitaarbegeleiding werd gevraagd is tot op de dag van vandaag onduidelijk. De meest gebruikte verklaring was dat het orgel van de kerk kapot was, volgens een populaire versie doordat muizen van de balg hadden gegeten. Maar misschien wilde Mohr gewoon een andersklinkend lied.

Volgens een andere anekdote raakte het lied, nadat het in 1818 eenmalig was opgevoerd, weer zoek en werd het pas in 1825 door een orgelreparateur teruggevonden. Dit verhaal berust zeer waarschijnlijk niet op waarheid, omdat zowel Mohr als Gruber in het begin van de jaren 1820 met variaties op Stille Nacht kwamen.

Spijt

0

best god

ik weet dat ik niet doe wat u vraag

maar ik heb er spijt  van  ik hoop dat u me wel helpen om  goed doen van af van dag

0p 7/9/2015 het spijt me zeer ik wel een goed zoon zijn van u

 

 

groeten van m N

Gebedspunt

0

Lieve God!

Ik smeek u of het weer goed wil maken tussen mij en m’n vriend! Wilt U geven dat mijn gevoelens van liefde weer terug komen! Wilt U onze relatie weer herstellen en mijn gevoelens weer teruggeven! Wilt u dit alstublieft doen? Wilt u een wonder doen? Geef dat ik de zin van het leven weer mag snappen en uit m’n burn-out mag komen. God, wilt u alstublieft mijn gevoelens weer teruggeven en mij alstublieft zegenen met veel liefde? Wilt u wonderen verrichten???

L

 

Lieve God en Jezus.

0

Vandaag heb ik jullie via een gebed (zie bijlage) weer aanvaard in mijn leven en mijn hart.
Ik heb een hectisch en chaotisch leven achter de rug, vooral door mijn eigen toedoen.
Ik vraag U hiervoor vergeving, vooral aan al diegenen die mij dierbaar zijn.
Ik ben 35 jaar lang alcoholist geweest en heb daardoor veel mensen en ook U, God, en ook U Jezus, onbedoeld pijn gedaan. Gelukkig sta ik, door Uw hulp, nu al 6 jaar droog.
Ik draag nog een tweede kruis God, al sinds mijn 16e levensjaar.
Dat was ook de aanleiding om zoveel te gaan drinken.
Nu, ik bijna 60 ben, wordt dat kruis zwaarder en zwaarder.
Het kruis heet manisch-depressiviteit.
Zou U die last kunnen verlichten God?
Ik heb een lieve vrouw leren kennen en ervaar haar als een Godsgeschenk. Zij heeft U en Jezus weer op mijn pad gebracht. Daar ben ik haar en U dankbaar voor.
Ik dank U voor al Uw zegeningen in mijn leven die ik heb mogen ervaren, want die waren er ook.
Ik vraag U om verlossing voor de uitputtende manische en daaropvolgende wurgende depressieve fasen in mijn leven, die ieder jaar zich weer manifesteren.
Lieve God, U bent mijn Thuis. In Uw Hart wens ik te wonen.
Lieve Jezus, wilt U mij de Weg naar God blijven wijzen?

Ik groet U beide vanuit mijn piepkleine, ontwakende hartje.

Frederikus Gerardus Maria v/d G.

Gebed  Jezus Spreekt

Ik hou van je, mijn kind.

Ik hou van je met een liefde die alles overtreft wat je ooit gekend hebt. Je kent Mij niet en dat is normaal.

Ik wil dat je Mij leert kennen, zodat je gaat beseffen hoe kostbaar je bent in Mijn ogen.

Je bent niet alleen, je bent niet verlaten. Ik ben er, elke dag en altijd, waar je ook bent.

Ik ben bij je en Ik wil je helpen.

Ik heb je lief met een liefde die je niet kent. Een liefde die veel groter is dan alles wat je ooit gezien hebt.

Ik heb je bedoeld om Mij te kennen, de bron van echte liefde. Ik heb je bedoeld om te leven in mijn grote liefde voor jou. In Mij vind je je bestemming, in Mij vind je genezing en bevrijding.

In Mij vind je de reden van je bestaan.

Buiten Mij is er geen ware vreugde te vinden. Wel veel namaak en oppervlakkig plezier. Maar het is tijdelijk. Als de kick voorbij is, als het feest over is, als de drugs uitgewerkt zijn, als de seks voorbij is… is de vreugde en het plezier ook verdwenen. En dan ben je nog steeds alleen en ongelukkig, diep in je hart.

De lust en de lol van deze wereld kunnen je nooit het geluk geven waarvoor Ik je bedoeld heb. Niets kan je hart ten volle vervullen, mijn kind. Niets en niemand.

Mensen falen altijd weer, hoe goed ze het ook bedoelen. Jij faalt naar mensen toe en mensen falen naar jou toe. Niemand kan het hart van een ander blijvend bevredigen.

Maar Ik ben God, degene die jou gemaakt heeft en die een plan heeft met je leven.

Ik ben degene die je hart kan vervullen op een manier die je op dit moment niet voor mogelijk houdt.

En mijn kind. Ik ken je door en door. Je hebt geen geheimen voor Mij. Niets is voor Mij verborgen, niets is onbekend voor Mij. Ik ken je pijn, hoe diep het is. Ik ken je verdriet, de diepte van je tranen en je strijd. Ik begrijp je volkomen. Ik ken je helemaal, door en door, Ik zie alles in je en om je heen.

Ik heb je lief, mijn kind. Ik heb je lief met een diepe, eeuwige liefde, een liefde die nooit zal veranderen.

Ik ben er voor jou.

Ik ben mens geworden, mijn kind, op dat jij en vele anderen zouden weten wie Ik ben. Ik ben mens geworden om je te laten zien: God is echt, God is liefde, God is vol aandacht voor ons mensen, God is hier bij ons en wil ons in zijn armen nemen.

Ik ben Jezus Christus, de Zoon van God.

Ik ben het die tot je spreekt en Ik zeg je: Kom tot Mij, als je moe en bedrukt bent en Ik zal je rust geven. Diepe rust voor je hart. Diepe rust voor je gedachten. Diepe rust voor je innerlijk. In Mij vind je wat je zoekt. Want je bent geschapen door Mij, voor Mij.

Ik wil je niet beroven van vreugde en geluk zoals sommige mensen denken, als ze aan God denken. Nee, Ik ben de bron van leven. Ik ben de gever van alles wat goed is. Ik ben degene die je leven geef tot in eeuwigheid.

Kijk naar Mij en zie hoe IK van je hou.

Als je de schoonheid van de natuur ziet, zie je iets van Mij. Als je ware liefde ziet tussen man en vrouw, zie je iets van Mij. Als je de vreugde van een spelend kind ziet, zie je iets van Mij.

Ik ben het die mensen geluk geeft. Ik ben het die mensen geneest in hun hart en hun lichaam. Ik ben het die hoop geeft in de diepste duisternis.

Ik ben er voor jou, mijn kind.

Denk niet dat ik te ver ben voor jou. Nee. Ik ben niet ver. Ik ben hier. Dicht bij jou. En Ik wil je laten zien hoeveel Ik van je hou.

Open je hart voor Mij, mijn kind. Open je hart en laat me binnen. Je hoeft er niets voor te doen. Ik vraag alleen maar:

Mag ik binnenkomen in je hart?

Als je dat wilt, zeg dan heel gewoon ‘JA’. En dan ben Ik in je hart.

Open je hart, mijn kind. En Ik zal je het leven geven voor eeuwig, het leven dat zo mooi is, dat je het pas kunt begrijpen als je het ziet.

Kom bij Mij, zegt Jezus Christus.

Kom en Ik zal je vrij maken.

 

Homo zijn en geloven in God, vervolg

0

Op mijn bericht Homo zijn en geloven in God heb ik aardig wat reacties mogen ontvangen. Sommige waren negatief, maar het merendeel was positief. Ik wil het hierbij verder laten, het geloof in God en Jezus Christus behoort centraal te staan, niet hoe de geaardheid, van onze broeders en zusters.

En volgens mij maakt het God ook niet uit met wie je het leven deelt. Zodra we gaan discussieren en een mening gaan vormen of het God uitmaakt of iemand homo is. Wat is dan het volgende, straks maakt het uit, welke kleur je hebt of wat voor schoenen je draagt, welke muziek je mooi vind.

Genoeg allemaal, God is barmhartig en vergeving is wederzijds. Wij vragen om vergeving en wij vergeven anderen. Wij vergeven ook anderen die in onze ogen foute dingen doen.

Anders gaat het offer van Jezus Christus niet werken !!

Homo zijn en geloven in god

0

Ik heb een email ontvangen, van iemand die op hetzelfde geslacht valt. Deze persoon voelt zich hierdoor veroordeeld door anderen. Een aantal jaren terug zou ik hem ook veroordelen. Inmiddels denk ik er anders over, want waarom zou ik hem veroordelen, terwijl ik ook genoeg fouten maak in mijn leven. Ik doe domme dingen en ik overtreed onbewust de 10 geboden.

Deze persoon heeft inmiddels een (stabiele) relatie is zeer gelukkig. Persoonlijk denk ik, dat God hem niet veroordeeld, door het offer wat Jezus Christus heeft gemaakt. Want deze persoon probeert een goed mens te zijn en anderen te helpen. Ik moet aan hem een voorbeeld nemen hoe hij met mensen omgaat en kinderen wil gaan opvoeden, die door anderen zijn verstoten. Wie kan hun veroordelen, iemand die denkt dat de bijbel deze mensen veroordeeld. Er staat heel iets heel belangrijks in de bijbel, wie vrij is van zonden, mag de eerste steen gooien.

En ik mag hem niet gooien! Ik ben er van overtuigd dat God zeer barmhartig is en kijkt hoi iemand is geweest in zijn leven. En ja iedereen heeft zonden.

Laatste Berichten

Lieve Vader

Lieve Vader

U kent mij als het goed is, ik hoef dus mijn naam niet te noemen. Ik heb een vraag en een verzoek aan u   Zoals u...
Lieve Vader, lieve God,

Lieve Vader, lieve God,

Brief aan God om familieleden

Brief aan God om familieleden

Pinksteren 2018

WP Facebook Auto Publish Powered By : XYZScripts.com