Home Blog Page 27

Genesis 4

0
Genesis 4
Genesis 4

En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain,en zeide: Ik heb een man van de HEERE verkregen!

2 En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder,en Kain werd een landbouwer.

3 En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kain van de vrucht des landsden HEERE offer bracht.

4 En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En deHEERE zag Habel en zijn offer aan;

5 Maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kain zeer, en zijnaangezicht verviel.

6 En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uwaangezicht vervallen?

7 Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aande deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.

8 En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veldwaren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.

9 En de HEERE zeide tot Kain: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weethet niet; ben ik mijns broeders hoeder?

10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder,dat tot Mij roept van den aardbodem.

11 En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, omuws broeders bloed van uw hand te ontvangen.

12 Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gijzult zwervende en dolende zijn op aarde.

13 En Kain zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergevenworde.

14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uwaangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en hetzal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.

15 Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kain doodslaat, zal zevenvoudiggewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kain; opdat hem nietversloeg al wie hem vond.

16 En Kain ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod,ten oosten van Eden.

17 En Kain bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hijbouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons,Henoch.

18 En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujaelgewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.

19 En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naamvan de andere Zilla.

20 En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tentenbewoonden, en vee hadden.

21 En de naam zijns broeders was Jubal; deze werd de vader van allen, die harpenen orgelen handelen.

22 En Zilla baarde ook Tubal-Kain, een leermeester van allen werker in koper enijzer; en de zuster van Tubal-Kain was Naema.

23 En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen vanLamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, ommijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!

24 Want Kain zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaalzevenmaal.

25 En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zijnoemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voorHabel; want Kain heeft hem doodgeslagen.

26 En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos.Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen.

Genesis 3

0
Genesis 3
Genesis 3

De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE Godgemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft:Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?

2 En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wijeten;

3 Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd:Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.

4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;

5 Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopendworden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.

6 En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voorde ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam vanzijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.

7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naaktwaren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.

8 En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan dewind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht vanden HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.

9 En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

10 En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt;daarom verborg ik mij.

11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dienboom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

12 Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dienboom gegeven, en ik heb gegeten.

13 En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En devrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.

14 Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gijvervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gijgaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.

15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad entussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenenvermorzelen.

16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwerdracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, enhij zal over u heerschappij hebben.

17 En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, envan dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan nieteten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan etenal de dagen uws levens.

18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des veldseten.

19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardewederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stofwederkeren.

20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder allerlevenden is.

21 En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toogze hun aan.

22 Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennendehet goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook vanden boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

23 Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem tebouwen, waaruit hij genomen was.

24 En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden,en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren denweg van den boom des levens.

Het gebed van Manasse

0

Het gebed van Manasse is één van de, door zowel joden, rooms-katholieken als protestanten als apocrief beschouwde boeken die voorkomt in bepaalde edities van de Griekse Septuagint en als een bijlage in de Latijnse Vulgata. Hiëronymus voegde het als bijlage aan de Vulgata toe omdat “het anders verloren gaat”. In sommige edities van de Septuagint vormt het een deel van het eveneens apocriefe boek Oden en wordt geaccepteerd als deutero-canoniek boek door sommige Oosters Orthodoxe christenen. Maar het komt niet voor in de moderne gedrukte Griekse bijbels, ongeacht of deze bijbels in antiek of modern Grieks zijn vertaald. In de Ethiopische bijbel is het gebed opgenomen in het Bijbelboek II Kronieken.   Dit korte gebed van slechts 15 verzen is een smeekbede, toegeschreven aan de Judese koning Manasse. Deze koning wordt in de Bijbel genoemd als een van de grootste afgodendienaars van alle Judese koningen (2 Koningen 21-1-18). Nadat hij echter krijgsgevangen genomen is door de Assyriërs, bidt hij God om vergeving (2 Kronieken 33:10-17) en wordt weer in genade aangenomen.   Het gebed van Manasse wordt gezongen in de completen van de Oosters-orthodoxe liturgie.

Het gebed van Manasse

  1. Almachtige Heer,God van onze voorouders Abraham, Isaak en Jakob en van hun rechtvaardig nageslacht,
  2. u hebt hemel en aarde gemaakt in al hun rijkdom,
  3. de zee gekluisterd met uw machtig woord, de oervloed gesloten en verzegeld met uw ontzagwekkende naam;
  4. alles siddert en beeft voor uw macht.
  5. Niemand kan uw luister verdragen of de toorn weerstaan waarmee u zondaars bedreigt.
  6. De barmhartigheid die u belooft kan niemand meten of doorgronden.
  7. U bent de hoogste Heer, vol mededogen, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid als mensen kwaad doen.
  8. Heer, u die God bent van de rechtvaardigen, u vraagt geen berouw van de rechtvaardigen, van Abraham, Isaak en Jakob, die niet tegen u hebben gezondigd, maar van mij, van een zondaar, vraagt u berouw.
  9. Want mijn zonden zijn talrijker dan zandkorrels aan de zee, steeds meer overtredingen beging ik, Heer, steeds zwaardere; ik ben het niet waard op te zien naar de hoge hemel, zo groot is het onrecht dat ik heb begaan.
  10. Een zware keten van ijzer drukt mij neer, en ik buig het hoofd om mijn zonden; voor mij bestaat geen vergeving. Ik heb immers uw woede gewekt en gedaan wat slecht is in uw ogen: afgodsbeelden opgericht en zonde na zonde begaan.
  11. Maar nu buig ik mij neer en bid om uw goedheid.
  12. Ik heb gezondigd, Heer, ik heb gezondigd, ik erken mijn overtredingen.
  13. Ik bid u: vergeef mij, Heer, vergeef mij. Laat mij niet ten onder gaan met mijn zonden, stapel uw straffen niet op tegen mij, koester uw wrok niet voor eeuwig, verban mij niet naar het diepst van de aarde. U, Heer, bent toch de God van al wie berouw toont!
  14. Ook mij zult u uw goedheid tonen, uw grote barmhartigheid zal mij redden, hoe onwaardig ik ook ben.
  15. Ik zal u voortdurend prijzen, alle dagen van mijn leven, want alle hemelse machten bezingen u, en uw roem is eeuwig. Amen.

 

 

Genesis 2

0
Genesis 2
Genesis 2

Nederlands StatenVertalings 1715 Bijbel

1 Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.

2 Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had,heeft Hij gerust op den zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.

3 En God heeft den zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij opdenzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om tevolmaken.

4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dageals de HEERE God de aarde en den hemel maakte.

5 En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer hetuitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er wasgeen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.

6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganseaardbodem.

7 En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijnneusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

8 Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij steldealdaar den mens, die Hij geformeerd had.

9 En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijkvoor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden vanden hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads.

10 En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd vandaar verdeeld, en werd tot vier hoofden.

11 De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havilaomloopt, waar het goud is.

12 En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.

13 En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cuschomloopt.

14 En de naam der derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten vanAssur. En de vierde rivier is Frath.

15 Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien tebouwen, en dien te bewaren.

16 En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zultgij vrijelijk eten;

17 Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij nieteten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

18 Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ikzal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.

19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al hetgevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoehij ze noemen zou; en zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haarnaam zijn.

20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte deshemels, en van al het gedierte des velds; maar voor de mens vond hij geen hulpe,die als tegen hem over ware.

21 Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hijnam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.

22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot eenvrouw, en Hij bracht haar tot Adam.

23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees!Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.

24 Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven;en zij zullen tot een vlees zijn.

25 En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.

Genesis 1

0
Genesis 1
Genesis 1

Nederlands StatenVertalings 1715  Hoofdstuk 1

1 In den beginne schiep God den hemel en de aarde.

2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de GeestGods zweefde op de wateren.

3 En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het lichten tussen de duisternis.

5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was hetavond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat makescheiding tussen wateren en wateren!

7 En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onderhet uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het wasalzo.

8 En God noemde het uitspansel hemel. En het was avond geweest, en het wasmorgen geweest, de tweede dag.

9 En God zeide: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderdworden, en dat het droge gezien worde! en het was alzo.

10 En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hijzeeen; en God zag, dat het goed was.

11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete gras, kruid zaadzaaiende, vruchtbaargeboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! Enhet was alzo.

12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, envruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dathet goed was.

13 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.

14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding temaken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en totgezette tijden, en tot dagen en jaren!

15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op deaarde! En het was alzo.

16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags,en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.

17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.

18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussenhet licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.

19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.

20 En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel vanlevende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel deshemels!

21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke dewateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeldgevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.

22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult dewateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!

23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.

24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, enkruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.

25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijnaard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dathet goed was.

26 En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; endat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte deshemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipendgedierte, dat op de aarde kruipt.

27 En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem;man en vrouw schiep Hij ze.

28 En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, envermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappijover de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte,dat op de aarde kruipt!

29 En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op deganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij utot spijze!

30 Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan alhet kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al hetgroene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.

Laatste Berichten

Lieve Vader

Lieve Vader

U kent mij als het goed is, ik hoef dus mijn naam niet te noemen. Ik heb een vraag en een verzoek aan u   Zoals u...
Lieve Vader, lieve God,

Lieve Vader, lieve God,

Brief aan God om familieleden

Brief aan God om familieleden

Pinksteren 2018

WP Facebook Auto Publish Powered By : XYZScripts.com